INFORMATIE

LEERKRACHTEN

PLAATJES

ZOEK

CONTACT

BESTELLEN

Nieuw in Het Kleine Loo

Minder bedrijven, maar wel groter


Het aantal boeren en tuinders in Nederland daalt al jaren. De productie doet dat gelukkig niet. Nederland is na de Verenigde Staten nog steeds de belangrijkste exporteur van land- en tuinbouwproducten ter wereld.



Als het slecht gaat met de land- en tuinbouw hebben heel veel andere bedrijven in Nederland daar last van. Dankzij de ruim 65.000 boeren en tuinders hebben 600.000 mensen een baan en exporteert ons land jaarlijks voor zo'n 80 miljard euro aan agrarische producten. Dat is een vijfde deel van de totale waarde van wat in ons land is gemaakt en wordt geëxporteerd. Boeren en tuinders zijn dus best belangrijk voor Nederland.


Steeds minder boeren en tuinders

Het aantal boeren en tuinders is in de loop van de jaren afgenomen. In 1945 bijvoorbeeld waren dat er bijna een half miljoen. In 2000 waren dat er nog maar ruim 97.000. Het aantal bedrijven daalt vooral doordat er geen opvolger is. Maar ook doordat een boer of tuinder zijn schulden niet meer kan afbetalen aan de bank en failliet gaat. En doordat boeren emigreren.Een bedrijf dat stopt, wordt meestal overgenomen door een andere bedrijf. Soms gaat het naar een boer die ergens anders zijn bedrijf heeft moeten beëindigen, omdat die grond nodig is voor de bouw van woningen, fabrieken of kantoren of voor de aanleg van (spoor)wegen of recreatie- of natuurgebied.


Schaalvergroting

Vaak ook koopt een boer (of tuinder) een boerderij om zijn eigen bedrijf uit te breiden. Dit heet 'schaalvergroting'. Een akkerbouwer die het bedrijf van een ander overneemt, produceert in zijn eentje dan vaak net zoveel als voorheen die twee akkerbouwers samen. Die ene boer kan al die akkers met zijn machines dus veel efficiënter bewerken. Hij kan meer werk met dezelfde machines doen. Dat scheelt in de kosten. Het is goedkoper. De kosten om iets te telen worden vaak omgerekend naar de kosten per vierkante meter. Dat is een handige vergelijkingsmethode. Bij een groter bedrijf zijn die kosten per vierkante meter veelal lager. Logisch. Dat scheelt nogal of je de kosten van een trekker over 10 of 100 hectare mag verdelen.


Meer in de winkel

Dat een boer zijn bedrijf graag wil uitbreiden, is niet zo heel bijzonder. Het gebeurt in alle sectoren van de land- en tuinbouw. Als er veel vraag is naar zijn product (vaak is dan ook de prijs hoger voor zo'n product), wil een boer graag ook meer produceren. Vaak lukt dat alleen als hij zijn bedrijf uitbreidt. Een veehouder bouwt dan een nieuwe stal om meer dieren te kunnen houden. Een fruitteler, een bloembollenteler, een akkerbouwer en een vollegrondsgroenteteler hebben dan meer land nodig. En een glastuinder een nieuwe kas. De schaalvergroting zorgt ervoor dat het voedsel en de sierproducten in de winkel goedkoop en in overvloed te koop zijn.


Grond

Meestal gaat het de boer bij de overname van een bedrijf om de grond. Hij zou die ook kunnen huren ('pachten'). Ook dat gebeurt wel. Zo kan hij zijn bedrijf ook uitbreiden. Land pachten is goedkoper, maar dat is soms moeilijk, want voor pachtgrond zijn meestal erg veel liefhebbers. Dat lukt dus lang niet altijd. Pachten gebeurt bovendien maar voor een beperkte periode. Als die voorbij is, kan de eigenaar die grond weer zelf gebruiken. Of aan een andere boer verpachten die een hogere pachtprijs wil betalen.


Een boerderij in Uithuizen

Schaalvergroting verloopt in de ene tak van de land- en tuinbouw wat sneller en gemakkelijker dan in de andere. Het hangt maar net van het soort bedrijf af en van de mogelijkheden. Een akkerbouwer in Wissekerke in Zeeland bijvoorbeeld die zijn bedrijf wil uitbreiden, heeft er weinig aan als er een akkerbouwbedrijf in Uithuizen in de provincie Groningen te koop is. Hij moet dan in Wissekerke en Uithuizen machines hebben en werkverzetten. Dat is duur en het kost veel tijd. Wissekerke ligt 360 kilometer van Uithuizen vandaan. Bovendien: de bodem, het klimaat, de soorten onkruid en de ziektedruk (insecten, schimmels en bacteriën die de planten belagen) zijn in Uithuizen anders dan in Wissekerke.



Al die teeltomstandigheden moet je eerst goed leren kennen, wil je er top-oogsten kunnen halen. Dat kost een aantal jaren voor je die helemaal onder de knie hebt. Kopen heeft dan alleen zin als je er ook gaat wonen. Maar lang niet iedere boer wil graag de streek verlaten waar hij woont en waar zijn voorouders vaak al vele generaties boer zijn geweest. Vaak koopt een boer een bedrijf op grote afstand dan ook alleen, omdat zijn zoon of dochter daar een bedrijf wil beginnen en er dichterbij geen goede mogelijkheden zijn.


Een akkerbouwer uit Usquert

Voor een akkerbouwer uit het naburige Usquert is de overname van een bedrijf in Uithuizen dan veel gemakkelijker. Die weet al hoe je daar het beste kunt telen, want hij teelt zijn gewassen onder dezelfde omstandigheden. Voor de bewerking van het land kan hij bovendien zijn eigen machines blijven gebruiken. Usquert-Uithuizen is maar 4 kilometer. Dat is wel zo efficiënt en zo goedkoop.


Koeien in Belfeld

Zo zal een melkveehouder uit bijvoorbeeld Wommels (in Friesland) niet snel een melkveebedrijf in het Limburgse Belfeld kopen. Ook dat is veel te ver weg. Een melkveehouder wil iedere dag zijn koeien zien en ze kunnen melken en verzorgen. Dat lukt niet goed met koeien in Limburg en in Friesland. Koeien hebben elke dag verzorging nodig. Als de boer dat bedrijf wil kopen, heeft hij iemand nodig die iedere dag op één van die twee plekken de koeien verzorgt voor hem.


Als het slecht gaat

Ook als het slecht gaat in een sector zal een boer niet snel een ander bedrijf overnemen. Een boerderij kopen is duur. Als een boer weinig inkomsten heeft doordat zijn producten niets opbrengen, krijgt hij bij de bank ook minder makkelijk een lening om zijn bedrijf uit te breiden. Vaak heeft zo'n boer toch al schulden bij de bank.


Naar de bank

Als een boer een aantal jaren achter elkaar te weinig verdient, gaat hij noodgedwongen naar de bank voor een lening om alle kosten te kunnen blijven betalen van zijn bedrijf (bijvoorbeeld het diervoeder en de dierenarts) en om zijn gezin te kunnen onderhouden (voedsel, kleding, de energierekening, de hobby's van zijn kinderen). Die lening moet hij later, als het hopelijk weer beter gaat, terugbetalen. Ook voor de bouw van een nieuwe stal of de aankoop van grond leent hij meestal geld bij de bank.


Terugbetalen

Een bank wil de boer alleen geld lenen als er ook een grote kans is dat hij de lening in een aantal jaren kan terugbetalen. De bank doet dat bijvoorbeeld als de boer iets heel nieuws op zijn bedrijf wil beginnen, waar (waarschijnlijk) veel vraag naar is. Ook aan een boer of tuinder wil uitbreiden, omdat er nu al veel vraag is naar zijn product, wil de bank graag haar geld uitlenen.



Een beroep met risico's

De inkomsten van boeren en tuinders kunnen van jaar tot jaar flink variëren. Hoeveel een akkerbouwer of tuinder krijgt voor zijn product, hangt onder meer af van zijn eigen oogst, maar ook van die van zijn collega's. In Nederland en daarbuiten, want ook andere landen exporteren hun producten. Als de oogst groter is dan de vraag, zakt de prijs. Zo kan het zijn dat als de oogst in het ene land mislukt, de boeren in het andere land een goede prijs krijgen voor hun product, omdat er schaarste is. Maar ook bijvoorbeeld de kwaliteit en hoe bijzonder of gewild een product is, spelen een rol. Nederlandse tulpen en Nederlandse kaas bijvoorbeeld zijn in het buitenland zeer gewild.


Handelsrisico's

Hoeveel verkoopbare producten de boer kan oogsten, hangt af van heel veel factoren, zoals de kwaliteit van de grond, de weersinvloeden, de rassen die hij teelt en de schade door ziektes en plagen die de oogst bedreigen. En het hangt natuurlijk ook af van het vakmanschap van de boer. Maar soms kun je op je bedrijf ook hele erge ('domme') pech hebben, waar je niks aan kunt doen. Zoals een windhoos die de kas of fruitbomen omver blaast. Of een hagelbui die de oogst onverkoopbaar maakt.


Ziekten en plagen

Maar ook bijvoorbeeld de uitbraak van een besmettelijke dierziekte, de aanwezigheid van één schadelijk insect in een bosje bloemen voor Japan en zelfs een gerucht over een ziekmakende bacterie in een groente, waardoor de export stilvalt, kunnen ervoor zorgen dat zelfs producten waar niets mee aan de hand is, niets meer opbrengen.


Boycot

Zo kan er ook een overschot ontstaan als een land plotseling besluit geen Nederlandse producten meer in te voeren, zoals Rusland in 2014 heeft gedaan met onder meer varkensvlees, kaas en producten uit de Nederlandse glastuinbouw. Rusland heeft toen een handelsboycot van die producten afgekondigd in reactie op een boycot van Rusland door de EU in verband met een politiek-militair conflict in Oekraïne. Als producten niet langer uitgevoerd kunnen worden, zorgt dat voor een overschot en daalt de prijs.



De prijs van voer

Of de boer iets aan zijn product kan verdienen, hangt ook af van de kosten die hij moet maken om het te produceren. Als het diervoer duurder is geworden, omdat de prijs van diervoedergrondstoffen is gestegen, heeft de boer hogere kosten. Voor de prijs van eieren en vlees in de winkel heeft dat duurdere voer geen gevolgen. Die prijs wordt bepaald door vraag en aanbod. Als het diervoer duur is, houdt de boer dus minder over aan zijn product. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld telers met een kas. Bij hen heeft de gasprijs grote invloed op de productiekosten. De telers sluiten daarom voor de zekerheid langlopende contracten af met een gasleverancier. Ook passen ze energiebesparende technieken toe om minder afhankelijk te zijn van gas en de gasprijs.


Hoe goedkoper, hoe concurrerender

Hoe lager de kosten, hoe concurrerender de boer en de tuinder hun producten kunnen verkopen. Als hij een groot bedrijf heeft, kan hij beter onderhandelen over de inkoopprijs.Omdat een boer of tuinder zeer grote hoeveelheden inkoopt, kan hij bij zijn leveranciers meer korting bedingen. Omdat hij zo'n groot bedrijf heeft, kan hij bovendien beter en sneller zijn werk doen, zijn machines beter benutten, goedkoper en efficiënter dieren houden of met een kuub aardgas meer snijbloemen in een kas telen. Bij de afnemer van zijn product (bijvoorbeeld een bloemenhandelsbedrijf of een slachtbedrijf) kan hij vaak een hogere verkoopprijs bedingen, omdat hij grote hoeveelheden in één keer kan leveren. Dat drukt ook de (vervoers)kosten van de koper.



Hulpkrachten

Als een boer zijn bedrijf uitbreidt, heeft dat ook gevolgen voor zijn bedrijfsvoering: hij krijgt meer werk. Soms kan een boer dat er in zijn eentje nog wel bij hebben. Soms ook moet hij dan tijdelijk of vast personeel in dienst nemen. Onder andere bij glastuinbouwbedrijven en varkensbedrijven die uitbreiden, gebeurt dat. Een akkerbouwer huurt in zo'n geval voor sommige werkzaamheden bijvoorbeeld een loonwerker in. Vaak gaat het dan om het inhuren van dure oogstmachines of om werk, waar de akkerbouwer geen tijd voor heeft.


Computers en robots

Ook computers en robots helpen de boer meer werk te verzetten op zijn bedrijf. Een melkveehouder vangt vaak de uitbreiding van zijn veestapel op met een melkrobot. Zo kan hij meer koeien melken, zonder dat hem dat heel veel meer tijd kost.

Overigens. Niet iedere boer wil zijn bedrijf alsmaar verder vergroten. Er zijn ook boeren en tuinders die in plaats van schaalvergroting er liever een andere activiteit op hun bedrijf naast doen, zoals een camping, de productie van biogas en stroom of een boerderijwinkel. Of natuurbeheer en landschapsonderhoud.


De ene boer is de andere niet

Hoeveel een boer of tuinder met zijn bedrijf verdient, verschilt van bedrijfstak tot bedrijfstak. Een teler met een vollegrondsgroentebedrijf bijvoorbeeld verdient gemiddeld doorgaans minder dan een melkveehouder, een akkerbouwer, een bloembollenkweker of een snijbloemenkweker met een kas. Een bloembollenkweker verdient doorgaans meer dan een varkens-, schapen- of pluimveehouder. Hoeveel een teler verdient, verschilt ook van bedrijf tot bedrijf, want elk bedrijf is anders. Akkerbouwgewassen telen op zandgrond is anders dan op klei. Op kleigrond zijn de opbrengsten meestal hoger, want dat is heel goede grond. Ook teelt niet elke akkerbouwer dezelfde gewassen. Zo maakt het ook nogal uit of een pluimveehouder legkippen of vleeskippen heeft. En of hij scharreleieren of biologische eieren verkoopt. Zo is een tomatenbedrijf weer anders dan een komkommerbedrijf of een bedrijf met potplanten.



Boekhouding

Hoeveel een boer gemiddeld heeft verdiend, wordt ieder jaar uitgerekend door het Landbouw-Economisch Instituut (LEI). Het LEI berekent de inkomsten en uitgaven op basis van de boekhoudingen van de boeren en de tuinders. Zo hebben de onderzoekers een goed inzicht in de kosten en opbrengsten van de bedrijven. Het onderzoeksinstituut vergelijkt de cijfers van de Nederlandse bedrijven ook met die in andere landen. Alle informatie die het LEI heeft verzameld, is na te lezen opwww.agrimatie.nl. Ook kijkt het LEI naar vraag en aanbod en naar trends. De overheid krijgt zo een goed beeld van hoe de Nederlandse land- en tuinbouw het doet en hoe het ervoor staat met de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland. Dat is belangrijk, want driekwart van alles wat de Nederlandse boeren en tuinders produceren wordt geëxporteerd. 77% hiervan gaat naar de andere landen van de EU. Het belangrijkste land is Duitsland. Dat importeert uit Nederland vooral vlees, zuivelproducten, eieren, sierteeltproducten en groente en fruit.

Zouden we niets meer exporteren, dan zouden we een enorm overschot aan voedsel en sierproducten hebben, zouden vele bedrijven failliet gaan, zou de overheid minder belastinginkomsten hebben en zou er flink meer werkeloosheid zijn.


Omhoog