INFORMATIE

LEERKRACHTEN

PLAATJES

ZOEK

CONTACT

BESTELLEN

Nieuw in Het Kleine Loo

Akkerland of weiland? 


Een akker of een weiland. Dat maakt nogal verschil. Ook voor het werk van de boer. Het werk opeen akker is anders dan dat in een weiland. Voor een akker heeft de boer ook andere machines nodig. 



WEILAND

In een weiland groeit gras. Er grazen koeien, schapen, geiten of paarden. In sommige weilanden lopen kippen of varkens. Of bijzondere landbouwhuisdieren, zoals struisvogels of herten,want ook die worden gehouden op de boerderij. Ook leven er weidevogels. Die bouwen er een nest of zoeken er naar voedsel.De boer gebruikt het weiland ook om er gras te oogsten. Hij noemt het dan ‘hooiland’. In weiland waar hij gras wil oogsten, mogen tijdelijk geen dieren grazen, want dan wordt het gras vertrapt en raakt het besmeurt met mest. Dat is geen lekker voer.Gras kleurt het weiland het hele jaar groen, maar toch verandert ook een weiland van kleur. Als het gras is gemaaid, is het kort en lichtgroenig. Als het groter wordt, kleurt het weiland donkerder groen. Boter- en paardenbloemen zorgen ervoor dat een weiland geel kleurt. Door klaver kleurt het rozeachtig of wit. 


Afhankelijk van het weer kan de boer van april tot oktober drie tot vier keer gras oogsten van zijn weiland. Het geoogste en gedroogde gras (‘hooi’) is wintervoer. Het wordt dooreen machine verpakt in plastic balen of de boer rijdt het in een kipwagen naar de boerderij en bewaart het daar onder plastic (zo’n hoop heet een ‘kuil’),totdat de dieren in het najaar voor enkele maanden op stal gaan en voer nodig hebben. Een melkveehouder haalt zijn koeien binnen als het weiland door de vele najaarsregen te drassig begint te worden. Als de koeien dan in de wei blijven lopen, ontstaan kuilen in het weiland. Een koe kan zich daarin verstappen enge wond raken. Zo bestrijdt de boer ook molshopen. Ook die zijn een risico voor zijn dieren. Waar molshopen zijn, groeit bovendien meestal onkruid. Om mollen te vangen gebruikt de boer vaak een mollenklem. 



Een weiland heeft ook opeen andere manier verzorging nodig. Zo strooit de boer met zijn kunstmeststrooier kunstmest, zodat het gras beter groeit. Als het weiland te droog wordt, zet hij een regeninstallatie aan. Ook bestrijdt hij vervelend onkruid, zoals distels en brandnetel. Waar die groeien, gaat een koe niet grazen. Kale plekken in het weiland zaait hij bij met graszaad. Als de boer te weinig gras kan oogsten in zijn weiland of als er teveel onkruid in staat, ploegt hij het om. ‘Scheuren’ wordt dat genoemd. Meestal zaait hij het daarna opnieuw in. Dat doet hij tussen half juli en eind september. Of anders half maart- half april, want dan wil het gras goed groeien. In het najaar maait de boer ook de slootkanten langs het weiland,zodat het water snel weg. Het weiland wordt dan minder snel drassig. 


Voordat de boer in het voorjaar de koeien weer in het weiland laat, controleert hij eerst of de omheining nog goed is. Anders lopen zijn koeien weg. In het broedseizoen plaatst de boer nestbeschermers, zodat de weidevogels ongestoord kunnen broeden tussen de koeien. Als hij gaat maaien, plaatst hij markeringsstokken bij de nesten, zodat hij er omheen kan maaien. Aan de maaibalk zitten rammelende kettingen die het wild verjagen dat zich in het hoge gras schuil houdt. 


Als het tijd is om te melken haalt de boer zijn dieren uit de wei. Vaak laat hij ze daarna weer terug in de wei. De boer melkt zijn koeien ’s ochtends en ’s avonds. Boeren met een melkrobot hoeven dat niet. De robot melkt de koe pas als ze zelf gemolken wil worden. Dat kan op elk moment van de dag. Soms loopt de boer overdag ook weleens naar het weiland om te kijken naar een koe die op het punt staat te bevallen of om te controleren of zijn koeien nog voldoende water kunnen drinken.   



DE AKKER 

Op een akker kun je het hele jaar door allerlei machines aan het werk zien. De boer moet er niet alleen oogsten, maar ook ploegen, zaaien, bemesten en onkruid en plantenziektes bestrijden. Vooral oogstmachines zijn er in vele soorten en maten. Voor elk gewas gebruikt de boer een ander soort oogstmachine. Graan oogst hij met een combine, aardappelen met een aardappelrooier, suikerbieten met een bietenrooier, spruiten met een spruitenoogstmachine, bloembollen met een bollenrooier, maïs met een maïskneuzer. Welke oogstmachine je aan het werk ziet, hangt af van het gewas, de grondsoort en de streek, want niet overal worden dezelfde gewassen geteeld.In elk seizoen wordt er wel iets geoogst. Boerenkool bijvoorbeeld wordt geoogst in de wintermaanden. Graan in de zomer, aardappelen van begin juni tot in de herfst, suikerbieten van september tot begin december.Op akkers groeien heel veel soorten gewassen. Vooral in groente-, fruit-, bloembol- en boomkwekerij gewassen is heel veel variatie en dus aan oogstmomenten. Sommige soorten groenten bijvoorbeeld hebben een heel kort groeiseizoen. Die kan de tuinder meerdere keren per jaar zaaien en oogsten. Spinazie en sla bijvoorbeeld worden zes tot tien weken, nadat gezaaid is, geoogst. Bij gewassen als graan,aardappelen, suikerbieten en bijvoorbeeld bloembollen of fruit kan dat niet.Die hebben een veel langer groeiseizoen en kun je maar één keer per jaar oogsten. 


Op een akker groeien meestal elk jaar andere gewassen. Op de akker van een akkerbouwer groeien het ene jaaraardappelen, in het andere groeit er bijvoorbeeld graan, vlas, uien of koolzaad.Een jaar later misschien suikerbieten. Ook op de akker van de groenteteler is dat meestal zo. In het voorjaar groeit er dan bijvoorbeeld sla of spinazie. Later in dat jaar teelt hij er bijvoorbeeld prei of kool. Een groenteplant die wel meerdere jaren op dezelfde akker blijft, is de asperge. Van een aspergeplant kan de teler vele jaren oogsten. De wortels van die plant blijven meestal tien jaar in de grond zitten. Ieder voorjaar groeien er nieuwe aspergestengels uit.De oogst gaat door tot 24 juni. Daarna krijgt de plant rust en kunnen de witte stengels uitgroeien tot groene planten.  



Elke boer controleert tijdens het groeiseizoen regelmatig hoe de planten op zijn akker groeien. Hij kijkt of het zaad goed opkomt. Hij let op de groei van het onkruid en of zijn planten niet aangetast worden door bijvoorbeeld een schimmelziekte of door insecten of andere plagen die de oogst in gevaar kunnen brengen. Ook let hij op dat zijn planten niet verdorren door de droogte. In de oogsttijd controleert hij of het gewas al rijp genoeg is om te oogsten. 


Net als in een weiland leven ook op een akker vogels. Ook bezoeken wilde dieren de akker, zoals konijnen, hazen, reeën en (in sommige gebieden) wilde zwijnen en de korenwolf(een zeldzame akkerhamstersoort). Die zoeken daar voedsel of zoeken er beschutting. Ook vogels als de fazant en de patrijs doen dat. Sommige vogels nestelen op de akker. Op sommige akkers wordt gejaagd op het wild. De boer heeft daarvoor dan toestemming gegeven. Om te mogen jagen moet een jager eerst een opleiding volgen en een jachtakte hebben. Of op een dier gejaagd mag worden, hangt af van het jachtseizoen. Dat verschilt per diersoort. Op sommige de meeste wilde dieren mag zelfs helemaal niet gejaagd worden, omdat ze bij wet beschermd zijn. 



Vooral in het groei- en oogstseizoen zie je op akkers heel veel kleuren:van paars, oranje en rood tot goudgeel, lichtblauw en wit. Afhankelijk van het gewas dat de boer teelt. Voor heel veel kleur op de akker zorgen in het voorjaar natuurlijk de bloembollentelers. Niet voor iets komen er zoveel buitenlandse toeristen naar de Nederlandse bloembollenvelden kijken. In de winter zijn de meeste akkers kaal en bruinzwart. Alleen een akker waar wintergraan is gezaaid, is dan groen.Wintergraan is graan dat in het najaar is gezaaid. Graan is familie van? Gras....

Omhoog