INFORMATIE

LEERKRACHTEN

PLAATJES

ZOEK

CONTACT

BESTELLEN

Nieuw in Het Kleine Loo

AKKERBOUW, Lessen middenbouw


Doelstellingen

Na de vier lessen over akkerbouw kunnen de kinderen vertellen:

- wat de belangrijkste akkerbouwgewassen zijn

- hoe deze gewassen groeien

- welke producten van deze gewassen worden gemaakt

- wat de belangrijkste werkzaamheden van een akkerbouwer zijn

- welke machines bij de aardappelteelt worden gebruikt.



Les 1. ORIËNTATIE


Introductie

Vraag de kinderen wat ze het liefst eten. Waarschijnlijk noemen ze frites, pannenkoeken, macaroni, spaghetti, poffertjes, pizza, snoep, ijs, enzovoort.

Schrijf de namen van een aantal gerechten op het bord en vraag de kinderen of ze weten waar die gerechten van gemaakt worden. Vraag door als kinderen bijvoorbeeld 'meel' of 'suiker' noemen. Zeg dat je graag de naam van een plant wilt horen. Schrijf bij elk gerecht de gewassen die de kinderen noemen. Als het goed is, krijg je dan de voornaamste akkerbouwgewassen: aardappelen (frites), maïs, (op de pizza), suikerbieten (snoep en ijs) en tarwe (pannenkoeken, macaroni en spaghetti).


Verwerking

Nodig voor elk kind: het werkblad 'Wat maak je van...', een schaar, lijm, een vel papier.

Kijk hier voor de antwoorden.


Op dit werkblad staan vier akkerbouwgewassen: aardappelen, maïs, suikerbieten en tarwe. Van elk gewas staan ook vier producten afgebeeld, die van het gewas worden gemaakt. De teelt van snijmaïs is eigenlijk teelt van en voor de veehouder. Vaak telen akkerbouwers maïs voor veehouders of ze verhuren een stuk land aan veehouders die er maïs op verbouwen. 

De kinderen knippen alle plaatjes uit. Ze sorteren de plaatjes en plakken ze op het vel papier. Als ze nog meer producten weten die van de gewassen worden gemaakt, kunnen ze de namen ervan aan de buitenkant van de cirkel schrijven.


Afsluiting

Als je van gewassen producten maakt, blijven er altijd reststoffen achter. Denk maar aan aardappelschillen als je aardappelen eet. Frites met schillen smaken ook niet lekker, hoewel er mensen zijn die aardappelen met schil eten. Ga met de kinderen na welke reststoffen er bij elk gewas overblijven (zie 'Achtergrondinformatie Akkerbouw') en wat ermee kan gebeuren.

Voorbeelden van het gebruik van reststoffen zijn:

- bij aardappelen: kleine aardappelen worden gevoerd aan varkens, koeien, geiten en schapen of ze worden bewaard om volgend jaar te poten. Aardappelpulp wordt verwerkt in veevoer.

- bij maïs: van suikermaïs blijven restanten over, die mensen niet eten. Het loof ervan wordt gehakseld (in kleine stukjes gesneden) en ingekuild. Snijmaïs voor het vee wordt in zijn geheel gehakseld en ingekuild. Dit is dus geen reststof.

- bij suikerbieten: het loof van de bieten wordt ondergeploegd en de resten die overblijven na het maken van suiker worden gebruikt voor de bereiding van alcohol en veevoer en als meststof. De suikerfabriek gebruikt de resten loof ook om er in de biovergistingsinstallatie biogas van te maken. Met deze brandstof kan met een motor stroom opgewekt worden. Ook wordt het gebruikt om kassen en huizen te verwarmen.

- bij tarwe: het stro dat overblijft na de oogst, wordt door bloembollentelers gebruikt om 's winters bloembollen tegen de kou te beschermen. Paddenstoelenkwekers kweken er hun oesterzwammen op en veehouders gebruiken het in de stal. Ook wordt van stro strokarton gemaakt.



Les 2. Voorbereiding op het bezoek

Voor de volgende les hebben alle kinderen een aardappel nodig. Vraag de kinderen een aardappel mee te nemen en laat de naam van de soort aardappel opschrijven. Zorg voor extra aardappelen als ze het vergeten.

In deze les worden onder andere de voorbereidingen getroffen voor het bezoek aan het akkerbouwbedrijf of het bezoek van de akkerbouwer aan de groep. In de les staat de aardappel centraal, omdat aardappelen gemakkelijk voorhanden zijn en op vrijwel elk akkerbouwbedrijf aardappelen verbouwd worden.


Introductie

Bekijk de aardappelen die de kinderen hebben meegenomen. Zien ze er hetzelfde uit? Waarin verschillen ze? Let op kleur, afmeting, schil, aantal ogen, enzovoort. Vertel waar de aardappel oorspronkelijk vandaan komt en welke producten van aardappelen gemaakt worden (zie 'Achtergrondinformatie Akkerbouw').


Verwerking

Nodig: voor elk kind het werkblad 'Aardappel' , een aardappel (hebben de kinderen meegenomen),  een pen of een potlood.


Met dit werkblad nemen de kinderen 'hun' aardappel onder de loep. Deel de werkbladen uit en neem de opdrachten in het kort met de kinderen door. Verduidelijk vragen of opdrachten die ze niet snappen.


- Een pleister is niet nodig

Nodig: een aardappel, een mes.


Aardappelen helen zichzelf. Snijd van een aardappel een klein stukje af. Leg de aardappel neer en kijk elke dag wat er gebeurt. Na een poosje zie je dat de aardappel een laagje op de wond maakt; dat dichtgroeit.


- Een aardappeldoolhof

Nodig: een schoenendoos, karton, lijm, een schaar, een aardappel.

Kijk hier voor het voorbeeld.


Maak in een schoenendoos aan de bovenkant een flink gat. Meet de breedte van de schoenendoos en maak het karton op maat. Maak ook in elk stuk karton een gat. Lijm de stukken karton in de doos. Zet de doos rechtop en leg de aardappel op de bodem van de doos. Doe de deksel op de doos. Na een paar weken zie je dat de scheuten van de aardappel door de gaten in het karton uit de doos groeien.


Afsluiting

Verdeel de kinderen in kleine groepjes en laat ze met elkaar verzinnen wat ze tijdens het bezoek willen vragen. Schrijf de vragen op als de kinderen dit nog niet zelf kunnen.



Les 3. HET BEZOEK

Lees hiervoor de aanwijzingen in 'Opzet lesproject akkerbouw'.



Les 4. NA HET BEZOEK

Laat deze les snel na het bezoek plaatsvinden.


Introductie

De groep heeft het akkerbouwbedrijf bezocht of heeft bezoek gehad van de akkerbouwer. Neem voldoende tijd om de kinderen te laten vertellen wat ze gezien, gehoord en gedaan hebben.


Verwerking

Laat de kinderen hun ervaringen op verschillende manieren verwerken.


- Verslag

Laat een kort verslag maken. Hierbij kunnen ze eventueel het werkblad 'Machines' gebruiken. Op dit werkblad staan de belangrijkste machines afgebeeld die de akkerbouwer bij het verbouwen van aardappelen gebruikt.


- Werkblad 'Machines'

Nodig: voor elk kind het werkblad 'Machines'schaar, een pen, een nietmachine.


Akkerbouwers gebruiken bij hun werk veel machines. Vroeger gebeurde het meeste werk met de hand en had de akkerbouwer alleen de hulp van een trekpaard en eenvoudige gereedschappen.

Bekijk met de kinderen de machines die op het werkblad staan afgebeeld. Op de eerste tekening staan machines die de akkerbouwer in het voorjaar gebruikt: de trekker met de ploeg en de eg. Vaak ploegt hij in het najaar (klei)grond, zodat kluiten in de winter kapot vriezen en in kleine stukjes uit elkaar vallen. Met de eg maakt hij de kluiten fijn.

Op de tweede tekening bemest hij het land. Kunstmest wordt met de kunstmeststrooier over het land verdeeld. Mest wordt met de mestinjecteur in de grond gespoten, want anders komt er te veel ammoniak in de lucht.

Op de derde tekening stopt de akkerbouwer de aardappelen met de pootmachine in de grond. Vroeger gebeurde dat met de hand en werden de aardappelen één voor één in de grond gestopt. Als de aardappelen in de grond zitten, maakt hij met de aanaarder 'ruggen' (kleine bergjes) over de aardappelen heen, zodat de zon de grond warmer maakt en het rooien straks gemakkelijker gaat.

Op de vierde tekening loopt de akkerbouwer over het land. Dat doet hij regelmatig om te controleren of de planten ziek zijn en er geen schadelijke insecten op de planten zitten. Soms moet hij met de spuitmachine spuiten om de planten gezond te houden.

Op de vijfde tekening worden de aardappelen in de herfst met de aardappelrooier uit de grond gehaald. Meestal snijdt de akkerbouwer het loof er van tevoren af. Een machine haalt de aardappelen uit de grond en stort ze in de kieper die naast de aardappelrooier rijdt.

Op de laatste tekening staat de sorteermachine waarmee de akkerbouwer de aardappelen op grootte sorteert.

De kinderen kunnen de tekeningen losknippen en er een boekje van maken.


- Aardappelsalade

Nodig: aardappelen, mayonaise of slasaus, peterselie, bieslook, een aardappelmesje, een snijplank, een pan, een kookplaat, een kom, een opscheplepel, borden, vorken.


Schil de aardappelen en kook ze. Snijd de aardappelen in plakjes. Snijd de peterselie en de bieslook fijn en roer de kruiden door de mayonaise of de slasaus. Schep op elk bord aardappelsalade.


Afsluiting

Bekijk met elkaar de verslagen en hang ze op. Maak de aardappelsalade klaar en eet hem op. Laar de leerlingen de akkerbouwer een brief schrijven om hem te bedanken.

Omhoog