INFORMATIE

LEERKRACHTEN

PLAATJES

ZOEK

CONTACT

BESTELLEN

Nieuw in Het Kleine Loo

Bijzonder graan


Wie had dat gedacht? De voorouders van onze tarwe gerst en boekweit komen uit het Midden-Oosten uit een gebied dat onder andere Israël Libanon en Syrië omvat. Daar is het zo'n 5000 jaar voor Christus voor het eerst verbouwd. Vóór die tijd ging men in de natuur op zoek naar graankorrels. Graan is in ons land pas voor het eerst geteeld omstreeks 2500 jaar voor Christus.


Graanplanten groeien in het wild in een gebied dat zich uitstrekt van de zuidelijke Balkan-landen en Israël tot Centraal Azië (Oezbekistan Kirgizië) en Afghanistan. Alle belangrijke graansoorten met uitzondering van maïs en rijst hebben daar hun oorsprong. Maïs komt oorspronkelijk uit Midden- en Zuid-Amerika rijst uit Zuidoost-Azië.


Wilde voorouders

Wild graan ziet er heel anders uit dan het graan op de akker. Loek van Soest is een kenner van graanplanten. Hij is verbonden aan het Centrum voor Genetische bronnen Nederland (CGN) in Wageningen. Hier wordt op nummer het zaad bewaard van 23.000 verschillende wilde planten en gewassen die door boeren en tuinders niet meer worden geteeld maar die niet verloren mogen gaan. In deze planten zitten waardevolle eigenschappen die veredelingsbedrijven mogelijk van pas kunnen komen als ze een nieuw ras willen maken.

Loek: "Wilde graanplanten verliezen snel hun korrels als ze rijp zijn. Ze vallen dan uit elkaar. De boer kan die korrels dus niet goed oogsten. Geteeld graan houdt zijn korrels langer vast. Deze graansoorten zijn ooit ontwikkeld doordat boeren alleen maar zaaizaad zijn gaan gebruiken van planten die de korrels langer vasthielden." Maar ook op andere eigenschappen is geselecteerd bijvoorbeeld op opbrengst. Zo zijn verschillende graanrassen ontstaan. Die zijn steeds verder verbeterd.


Steeds weer nieuwe rassen

Ook de natuur helpt een handje bij de selectie. Loek: "Vroeger teelde de boer rogge gerst en tarwe op één akker. Zo was er minder kans op mislukking van de oogst door bijvoorbeeld ziekte of droogte. Er waren altijd wel sterke planten bij die overleefden." In sommige Aziatische landen wordt zo nog steeds graan geteeld.

De Nederlandse akkerbouwer zaait óf gerst óf tarwe óf rogge. Het risico dat de oogst mislukt is tegenwoordig dan ook kleiner omdat de boer zijn planten kan beschermen met gewasbeschermingsmiddelen. Maar ook omdat veredelingsbedrijven rassen hebben ontwikkeld die minder gevoelig zijn voor ziekte.

Veel oude graansoorten zijn in de loop van de tijd verdwenen van de Nederlandse akker. Dat is bijvoorbeeld gebeurd met eenkorn emmer en spelt een tarwesoort die in de Middeleeuwen veel werd geteeld. Die zijn verdrongen door broodtarwe. Dat is een tarwe waarvan bij het dorsen het kaf gemakkelijk loslaat. Bij spelt gaat dat veel moeilijker. Broodtarwe ('triticum') wordt nu bijna overal ter wereld geteeld. Een andere belangrijke soort is pastatarwe ('durum'). Die wordt vooral in Zuid-Europa (Italië) geteeld en gebruikt voor pasta's.


Bewaren en gebruiken

Het CGN bewaart alle zaad op nummer. Het zaad wordt diepgevroren bewaard in luchtdichte zakjes. Graanzaad kan bij -20° C wel vijftig tot zestig jaar goed blijven bij +4° C ruim twintig jaar. Om de tien vijftien jaar controleren (de medewerkers van) het CGN of het zaad nog goed kiemt. Bij lage kiemkracht wordt het uitgezaaid om nieuw zaad te oogsten. Per jaar gebeurt dat met vele honderden en in sommige jaren zelfs met enkele duizenden nummers tegelijk. Het zaad van het CGN gaat de hele wereld over verpakt in zakjes van 25 100 of 300 stuks. Een veredelingsbedrijf moet daarvan zelf zoveel zaad telen als het nodig heeft. Graanzaad wordt verstuurd per 100 stuks.

Een nieuw graanras gaat gemiddeld zes tot acht jaar mee. Een ras is dan bijvoorbeeld te vatbaar voor een bepaalde ziekte geworden of er zijn andere rassen die bijvoorbeeld beter groeien of die meer opbrengen. De ontwikkeling van een ras duurt twintig jaar.


Akkerbouwers

Het CGN heeft 9500 nummers met graanzaad waaronder 5500 van tarwe 530 van haver 1000 van maïs en bijna 3400 van gerst. Het zaad komt van over de hele wereld vandaan.

In de graancollectie van het CGN zitten onder andere elf oude landrassen van haver en vier van tarwe. Een landras is een ras dat is ontstaan door het selecteren van goede planten. De moderne rassen zijn ontstaan door gericht veredelen. Dat gebeurt met graanplanten pas zo'n honderd jaar. De eerste graanveredelaars waren akkerbouwers uit Groningen en Zeeland.

Omhoog