INFORMATIE

LEERKRACHTEN

PLAATJES

ZOEK

CONTACT

BESTELLEN

Nieuw in Het Kleine Loo

BOOMKWEKERIJ, Lessen onderbouw


Doelstellingen

Na het project kunnen de kinderen vertellen:

- wat de belangrijkste delen van bomen struiken en vaste planten zijn

- dat bomen struiken en planten zaden maken

- wat de belangrijkste werkzaamheden van een boomkweker zijn.


Werkwijze

Gedurende een à twee weken wordt een aantal dagen aandacht besteed aan het project. Hoe lang dat per dag gebeurt, hangt onder meer af van de activiteit die wordt gekozen, de samenstelling van de groep en de inbreng van de kinderen. De activiteiten waaruit gekozen kan worden, zijn verdeeld in kring- en werkles-activiteiten. Het is niet noodzakelijk dat alle activiteiten gedaan worden.


Het bezoek

Kijk in 'Opzet lesproject boomkwekerij' hoe een bezoek aan de boomkwekerij of het bezoek van de boomkweker op school kan worden voorbereid.

Ga met de kinderen na wat ze willen weten. Schrijf de vragen op en spreek af wie de vragen stelt, aan wie je ze stelt en wie de antwoorden onthoudt. Ga na afloop met elkaar na of alle vragen beantwoord zijn.



I. KRINGACTIVITEITEN


1. Bomen- en plantenspeurtocht

Nodig: een vel papier, een potlood, een viltstift, een fototoestel.


Vertel de kinderen dat je in de buurt van de school een korte wandeling met ze gaat maken. Tijdens die wandeling ga je op zoek naar bomen, struiken en (vaste) planten. Bedenk vooraf een route die je met ze wilt lopen en teken die route op papier.

Vraag of de kinderen dichtbij school plaatsen weten, waar bomen, struiken en/of planten staan. Geef die plaatsen met potlood op de plattegrond aan.

Loop de route en kijk of op de plaatsen die de kinderen hebben aangegeven, ook werkelijk bomen, struiken of planten staan.

Neem van elke boom, struik of groepje planten een foto. Vraag hoe de bomen, struiken en planten er gekomen zijn. Zijn ze vanzelf gaan groeien of heeft iemand ze er neergezet? En waarom dan op deze plaats?

Kijk wat er onder de boom of de struik ligt. Liggen er nog bladeren of zaden, misschien van vorig jaar?

Als de foto's afgedrukt zijn, kunnen ze bij de plattegrond opgehangen worden.

Bewaar de plattegrond en loop de route nog een keer in een ander jaargetijde. Neem de plattegrond en de foto's mee en ga na of alles nog hetzelfde is gebleven.


2. Bomen struiken en planten zaaien

Nodig: boomzaden, zoals: kastanjes, eikels, beukennootjes, dennenappels en esdoornzaden, zaaddozen van struiken en planten, bloempotten, aarde, ijslollystokjes, een pen.


Let op dat je geen zaaddozen van giftige planten gebruikt!

Bekijk met de kinderen de zaden en de zaaddozen. Vraag van welke bomen, struiken of planten de zaden zijn.

Vergelijk de vormen, de kleuren en de afmetingen van de zaden. Probeer de zaaddozen open te peuteren.

In zaaddozen zitten veel zaden bij elkaar. Zal uit alle zaden een plant groeien? Veel zaden worden opgegeten door dieren of komen op plaatsen terecht waar ze niet ontkiemen.

Vul de bloempotten met aarde. Doe niet te veel zaden bij elkaar in één pot.

Schrijf op de ijslollystokjes welke zaden je gezaaid hebt. Na hoeveel dagen komt het eerste plantje boven de aarde?

Veel boomzaden ontkiemen pas na een koudeperiode. Bewaar deze zaden een paar dagen in de koelkast, voordat je ze zaait.


3. Voeldoos

Nodig: een grote doos, een schaar, delen van bomen, heesters en vaste planten, zoals: takken, bladeren, zaden, schors, bloemen.


Knip in twee zijkanten van de doos een gat.

Laat de verschillende delen aan de kinderen zien en laat ze vertellen wat het zijn.

Leg één deel in de doos zonder dat de kinderen dit kunnen zien. Laat een kind voelen wat er in de doos ligt en zeggen wat het is. Laat, als het kind de naam niet weet, beschrijven wat het voelt.


4. Takken laten uitlopen

Nodig: een snoeischaar, takken van bomen en struiken (met bladeren), potten, water.


Knip met een snoeischaar takken van verschillende bomen en/of struiken, of vraag de boomkweker om een paar takken. Zet de takken van dezelfde soort in een pot water.

Bekijk met de kinderen de takken. Hebben de takken van de verschillende bomen en struiken dezelfde kleur? Voelen ze hetzelfde aan?

Vergelijk de bladeren met elkaar. Hoe zitten ze aan de tak vast? Kun je de bladeren gemakkelijk van de takken afhalen? Kun je nog zien waar de bloesem aan de tak heeft gezeten? Heeft de tak kleine vruchtjes? Kijk ook waar de knoppen voor het volgende jaar zitten.

In de potten met water blijven de takken een paar dagen goed. Het kan gebeuren, dat sommige takken wortels vormen. Deze takken kun je buiten planten. In het voorjaar hebben de takken nog geen bladeren. Dan kun je met de kinderen de knoppen aan de takken goed bekijken. Welke kleur hebben de knoppen?

Sprenkel wat water over de knoppen. Wat gebeurt er met het water? Voel voorzichtig aan de knoppen. Hoe voelen ze aan? Zijn de knoppen kleverig? Waarom is dat? (Dan worden ze niet zo snel opgegeten.)

Haal een knop van een tak en probeer de knop open te peuteren. Gaat dat gemakkelijk? Wat zie je? Een grote knop kun je doormidden snijden. Je ziet dan heel goed de opgevouwen bladeren in de knop zitten.

Zet de takken in een pot met water op een zonnige plek neer. Na een paar dagen gaan de knoppen open en komen de bladeren uit.



II. WERKLESSEN


1. Bladeren rubben

Nodig: bladeren van verschillende bomen, een dik (telefoon)boek, papier, waskrijt.


Verzamel de bladeren en droog ze tussen de bladzijden van het boek.

Leg een blad onder het vel papier en ga met waskrijt over de plek waaronder het blad ligt. De vorm en de nerven van het boomblad komen vanzelf te voorschijn.

Doe hetzelfde met bladeren die een andere vorm hebben. Laat ook gedeelten van bladeren over elkaar heen vallen.


2. Bomen en planten dubbel klappen

Nodig: grote vellen papier, verf, een kwast.


Vouw het vel papier in de lengte doormidden.

Verf op de vouwlijn de stam of een gedeelte van de plant.

Vouw het vel papier dubbel en druk met je handen het papier plat.

Vouw het vel weer open en verf nog een deel van de boom of de plant.

Vouw het papier weer dicht, zodat je een afdruk op de andere kant van het papier krijgt.

Maak op deze manier ook bladeren en bloemen aan de boom of de plant.


3. Bladertooien

Nodig: bladeren van verschillende vaste planten en bomen, een dik (telefoon)boek, draad, een naald.


Verzamel veel verschillende bladeren en droog ze een paar dagen tussen de bladzijden van het boek om te voorkomen dat ze omkrullen.

Rijg de bladeren aan een draad.

Hang een slinger om je hoofd, je hals, je ellebogen, je polsen, je middel, je knieën en je enkels. Met andere kinderen samen kun je nu een 'bladerdans' opvoeren!


4. Scheuren en plakken

Nodig: grote vellen papier, bruine, zwarte en witte verf, een kwast, lijm, bladeren, groene verf.


Verf grote vellen papier vol met bruine verf.

Maak kleurnuances door met witte en zwarte verf de bruine kleur lichter of donkerder te maken.

Laat de verf goed drogen.

Scheur van de vellen lange stroken.

Leg op een nieuw vel stroken zo neer, dat ze een boom een struik of een plant vormen.

Plak de stroken vast als ze goed liggen.

Smeer groene verf aan de kant van de bladeren, waar de nerven zitten.

Maak met deze bladeren afdrukken op de boom of de plant, die je met de stroken hebt gemaakt.


5. Een tekening met een blad

Nodig: gedroogde bladeren van bomen of vaste planten, papier, lijm, kleurpotloden of viltstiften.


Zoek een mooi blad uit en plak dat op het papier. Bekijk de vorm van het blad goed en verzin waarop het lijkt.

Maak met het blad als uitgangspunt met de kleurpotloden of de viltstiften een tekening.


6. Werkblad 'De boomkwekerij'

Nodig: voor elk kind: het werkblad 'De boomkwekerij', kleurpotloden, een schaar of een prikpen, stevig papier, lijm.


Kopieer het werkblad op stevig papier.

Bekijk met de kinderen wat er op het werkblad te zien is.

De kinderen kleuren de afbeeldingen. Daarna knippen of prikken ze de figuren uit. Ze vouwen de rand om, zodat de figuren rechtop kunnen staan en plakken ze op het karton.

Met een schoenendoos en doorzichtig papier kan een kijkdoos gemaakt worden.

Omhoog