INFORMATIE

LEERKRACHTEN

PLAATJES

ZOEK

CONTACT

BESTELLEN

Nieuw in Het Kleine Loo

AGRARISCH NEDERLAND

De land- en tuinbouw is een veelzijdige en boeiende sector van de Nederlandse economie. Boeren en tuinders willen daarom leerkrachten en leerlingen meer bij hun werk betrekken. Het lesproject 'Met de klas de boer op' is daar een handreiking bij. 

Het project bestaat behalve uit dit achtergronddossier, uit twaalf docentenhandleidingen voor lessen over de volgende bedrijfstakken: akkerbouw, fruitteelt, vollegrondsgroenteteelt, groenteteelt onder glas, paddenstoelenteelt, de teelt van bloemen en planten onder glas, bloembollenteelt, boomkwekerij, melkveehouderij (koeien, schapen en geiten), vleesveehouderij en pluimveehouderij. De boeren en tuinders in al die bedrijfstakken hebben gemeen dat ze duurzaam willen produceren. Een ieder doet dat op zijn eigen specifieke wijze en binnen de mogelijkheden die daarvoor op zijn bedrijf zijn. Hierna volgt in vogelvlucht een introductie van de land- en tuinbouw.



1. LAND- EN TUINBOUW IS ECONOMIE

Driekwart van wat de agrarische sector produceert, wordt geëxporteerd. Bijna een kwart (45 miljard euro) van de waarde van de Nederlandse export is afkomstig van producten uit de land- en tuinbouw en aanverwante handel en industrie. Met Amerika en Frankrijk is ons land één van de drie grootste agrarische exporteurs ter wereld. Zuivel, groenten, fruit, bloemen, bomen, vaste planten en bloembollen, pootaardappelen, vlees en vleesproducten: ze worden geleverd over de hele wereld. Exporteurs en promotiebureaus zorgen ervoor dat de producten stelselmatig onder de aandacht van potentiële kopers worden gebracht. Veel mensen in de industrie, de handel, het verkeer en de dienstverlening zijn voor hun baan direct of indirect afhankelijk van de land- en tuinbouw. Het gaat daarbij om twaalf procent van de gehele Nederlandse beroepsbevolking.

Ook Europees gezien telt de Nederlandse agrarische sector mee. Het Nederlandse aandeel in de exportwaarde van agrarische producten uit de EU is vijftien procent.


Internationale marktplaats

Voor sommige producten is Nederland dé internationale marktplaats. Op de bloemenveiling in Aalsmeer bijvoorbeeld worden behalve Nederlandse ook bloemen verhandeld die geteeld zijn in bijvoorbeeld Kenia en Columbia. Nederland bouwt daarbij ook op zijn logistieke kracht. Bloemen die 's ochtends zijn geveild, zijn binnen een etmaal te koop in een stalletje in New York.

Ook bijvoorbeeld de wereldhandel in bloembollen verloopt grotendeels via Nederlandse bedrijven. Die internationale rol wordt steeds groter. Steeds meer hebben Nederlandse agrarische coöperaties en particuliere ondernemingen vestigingen in het buitenland. Ook steeds meer boeren en tuinders internationaliseren hun bedrijf. Ze hebben in een ander land (Spanje of Kenia bijvoorbeeld) een vestiging geopend. Ze doen dat, omdat ze dan het jaarrond producten kunnen leveren. Maar ook om dichter bij hun afnemers te zitten. Anderen zijn geëmigreerd en hebben elders een nieuw bedrijf gesticht.

Hoe belangrijk de Nederlandse land- en tuinbouw is, blijkt ook wel uit het beeld dat buitenlanders van Nederland hebben. Buitenlanders denken bij Nederland behalve aan molens, klompen en polderlandschap, meestal ook aan koeien, kaas en tulpen. Koeien, kaas, tulpen, molens en klompen zijn onze nationale symbolen.


Groot grondgebruiker

De 60.000 land- en tuinbouwbedrijven in ons land zijn veelal gezinsbedrijven. De boer/tuinder en zijn vrouw leiden samen het bedrijf, soms geholpen door hun kinderen. Een deel van de bedrijven, vooral in de tuinbouw, heeft ook vaste arbeidskrachten in dienst.

Die 60.000 bedrijven hebben bijna twee miljoen hectare grond in gebruik. Oftewel bijna tweederde deel van de grond in Nederland. Daarvan is ongeveer tweeënvijftig procent (1.031.800 hectare) grasland. Bijna eenenveertig procent (810.100 hectare) staat vol met akkerbouwgewassen; op 115.800 hectare (bijna zes procent van het totaal) worden tuinbouwproducten, inclusief fruit, sierteeltproducten en bloembollen, geteeld. De rest (15.100 hectare) is zogeheten braakland, grond waarop geen gewassen worden geteeld.

Het agrarisch areaal krimpt. Steeds meer landbouwgrond wordt voor andere doeleinden gebruikt, zoals de aanleg van wegen, woonwijken, industrieterreinen, bos en natuur- en recreatiegebied.


Werken, onthaasten en genezen

De land- en tuinbouw biedt vele soorten werk. Deeltijd, voltijd, denkwerk, doewerk, laaggeschoold, hooggeschoold. Het is er allemaal. Het soort werk verschilt van sector tot sector. Een boomkweker heeft andersoortig werk dan een glastuinbouwbedrijf of een akkerbouwbedrijf, of een melkvee- of varkensbedrijf.

De drukste tijd van het jaar is meestal de oogsttijd. Dat geldt zeker voor fruitteelt- en bloembollenbedrijven en voor bedrijven waar groenten worden geteeld. Er zijn dan vele tijdelijke arbeidskrachten nodig om het werk gedaan te krijgen.

Op een agrarisch bedrijf is allerhande werk te doen. Er moet voor eten voor de dieren worden gezorgd. Zieke dieren moeten extra goed worden verzorgd. Nieuwe dieren moeten worden gekocht, oude verkocht. De machines en werktuigen moeten worden onderhouden. Het land moet geploegd, gemest, gezaaid. Ziekten en plagen moeten worden bestreden. Het lijstje is zeker niet compleet.

Sommige boeren en tuinders hebben van hun bedrijf een zorgboerderij gemaakt, waar gehandicapten of gestresste mensen een zinvolle dagbesteding hebben. Maar ook zieke en demente mensen vinden zo'n boerderij vaak een prettige, rustgevende omgeving. Inmiddels zijn er meer dan vierhonderd van dergelijke zorgboerderijen.

Werken in en met de natuur is rustgevend. Die heilzame werking wordt steeds meer ontdekt. Werken op de boerderij brengt structuur in het leven van gehandicapten, van mensen in psychische nood en van drugsverslaafden.


Europa

De belangrijkste afzetmarkt voor de Nederlandse land- en tuinbouwproducten is de Europese Unie. In de EU kunnen wij onze producten verkopen onder dezelfde voorwaarden als onze concurrenten in de Unie. Dat betekent tevens dat de Nederlandse land- en tuinbouw is gebonden aan Europese regelgeving. Die regelgeving heeft betrekking op bijvoorbeeld de kwaliteit van het diervoeder, de voedselveiligheid, het dierenwelzijn en eindproducten, en op de maatregelen ter bestrijding en voorkoming van besmettelijke dierziekten. Maar ook op bijvoorbeeld de beperking van de productie en de steunmaatregelen die elk EU-land aan zijn landbouw mag geven, vallen eronder. Eigenlijk zijn er nauwelijks onderwerpen waarop de EU niet invloed uitoefent of waar ze soms zelfs een uiteindelijk beslissende stem in heeft.


De Europese marktordening

Het Europese onderdeel dat boeren en tuinders het meest bezighoudt, is het markt- en prijsbeleid van de Europese Unie. De Unie stelt onder andere de landbouwprijzen vast die boeren minimaal voor hun producten zouden moeten krijgen. De EU kan ook steunmaatregelen nemen als de prijzen lager zijn. Zoals het opkopen van een product als er een te groot overschot is. Ook de invoer van producten van buiten de EU was aan regels gebonden (beperkte hoeveelheden, heffingen). De 'marktordening' wordt dat stelsel van marktbeschermende regels genoemd. De afspraken hierover gelden voor de hele EU. De afspraken over de prijzen zijn niet voor alle landbouwproducten gelijk, maar verschillen per sector en per product.

De Europese maatregelen moesten boeren en tuinders gegarandeerde minimum bestaanszekerheid bieden. Zo wordt ook voorkomen dat grote delen van het Europese platteland verpauperen en ontvolkt raken. De prijsafspraken voor landbouwproducten moeten ook zorgen voor een stabiele voedselvoorziening in de EU en voor stabielere voedselprijzen in de winkel.


Minder marktordening

Voor sommige heel belangrijke sectoren en producten (melk, suiker, graan) werden vroeger strenge regels over de productie en ondersteuning afgesproken. Voor andere waren er geen of heel lichte maatregelen vastgesteld. Onder andere telers van bloembollen, boomkwekerijproducten, bloemen en potplanten, fruit en groente en varkens- en pluimveehouders zijn daardoor voor hun inkomen volledig afhankelijk van de marktsituatie.

De zware beschermingsmaatregelen voor melk en suiker zijn inmiddels afgeschaft. Voor zuivel is dat in 2015 gedaan, voor suiker in 2017. Melkveehouders kunnen daardoor meer melk produceren, bietentelers meer bieten. De hervormingen van de marktordening zijn het gevolg van wereldwijde afspraken tussen landen om belemmeringen voor de handel weg te nemen. De groei van de melkveestapel wordt nu alleen nog aan banden gelegd door de milieu-eisen. De Nederlandse melkveesector mag slechts een beperkte hoeveelheid fosfaat produceren. Als de melkveehouders dus te veel dieren houden, moeten ze hun veestapel inkrimpen en een boete betalen. Anders komt er teveel mest, waardoor milieuproblemen ontstaan. Varkens en pluimveehouders kunnen al veel langer hun veestapel niet zo maar uitbreiden. Daar zijn al in de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw allerlei regels voor gemaakt.


Graan

Voor graan is een quotum vastgesteld per land. Nederland heeft in de teelt van akkerbouwgewassen in de Europese Unie slechts een zeer beperkt aandeel (1,5 procent van het totale Europese areaal). Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland, Engeland en Frankrijk. Dat zijn de grote graanproducenten. In die landen zijn akkerbouwbedrijven van honderden hectares geen uitzondering, in Nederland wel. Door de stelselmatige verlaging van de gegarandeerde graanprijzen, eind jaren tachtig, zijn veel Nederlandse akkerbouwers zich gaan toeleggen op de teelt van bijvoorbeeld bloembollen, pootaardappelen en vollegrondsgroenten. Of ze zijn pluimvee of varkens erbij gaan houden. Ze zijn daardoor minder afhankelijk geworden van de Europese marktordeningsregels. Ook voor het houden van vee is een quotum nodig. Dat quotum is om milieuredenen ingevoerd door de Nederlandse regering. Door dit quotum kan de Nederlandse veestapel niet verder uitbreiden. De Europese beperking van de productie is een betrekkelijk nieuw verschijnsel, dat te maken heeft met landbouwoverschotten waarmee de Europese Unie in de jaren tachtig is geconfronteerd.


Vrijere wereldhandel

Elk land in de wereld (ook bijvoorbeeld Amerika) heeft maatregelen genomen om zijn landbouw te beschermen. Het ene land minder, het andere minder. Dat geldt ook voor de wijze waarop ze boeren en tuinders ondersteunen. Dat dit gebeurt, is niet verwonderlijk: honger kan leiden tot ernstige politieke onrust. In veel landen (onder andere in Afrika) zijn landbouwproducten bovendien het belangrijkste exportartikel. Sommige landen hebben beperkingen gesteld aan de invoer van agrarische producten. Importeurs moeten bijvoorbeeld invoerrechten betalen op producten, waardoor het duurder wordt om die producten in te voeren. De Europese Unie doet dat voor sommige producten ook. Andere landen hebben – soms in combinatie met andere importbeperkende maatregelen - de invoer aan een maximum gebonden. Weer andere stellen extra strenge kwaliteitseisen om de invoer te beperken. Zo weren sommige landen Amerikaans rundvlees, omdat de dieren zijn grootgebracht met groeihormonen. Het gebruik van die groeibevorderaars is in Amerika toegestaan. In bijvoorbeeld de Europese Unie is dat verboden.


Vrijheid is niet altijd blijheid

De handelsbelemmeringen zijn al vele tientallen jaren onderwerp van gesprek tussen alle landen. Dat gebeurt in zogeheten wereldhandelsrondes. Stap voor stap wordt geprobeerd via onderhandelingen de grootste belemmeringen weg te nemen. Dat lukt echter alleen als sommige landen en vrijhandelsgebieden, zoals de EU, hun regels versoepelen of veranderen.

Onderhandelingen over de verdere vrijmaking van de wereldhandel verlopen vaak meestal moeizaam. Want: alle landen van de wereld moeten het met elkaar eens worden. Eén onderhandelingsronde duurt dan ook meerdere jaren. Veel land zijn bovendien bevreesd dat de onderhandelingen tot nieuwe vormen van oneerlijke concurrentie leiden. Zo maken de Europese boeren en tuinders zich zorgen over oneerlijke concurrentie van producten uit landen waar geen eisen op het gebied van dierenwelzijn en milieu worden gesteld.


Een boerderij beginnen

Wie een beetje agrarisch bedrijf wil beginnen, is al gauw één tot anderhalf miljoen euro kwijt (land, gebouwen, machines en dieren/plantmateriaal tezamen). Daar blijft het niet bij voor wie iets wil produceren, waarvoor productierechten nodig zijn, zoals varkens en kippen. Een veehouder heeft fosfaat- en ammoniakrechten nodig. Die zijn maatgevend voor het maximaal aantal dieren (varkens, en kippen) die hij mag houden. De fosfaatrechten zijn in de jaren tachtig ingevoerd om het mestprobleem de baas te worden. Overigens wie de rechten heeft bemachtigd, zal ook moeten zorgen dat hij zijn mest op een verantwoorde wijze kwijt kan. Als dat niet op het eigen bedrijf kan, is een afzetcontract met een tuinder of akkerbouwer nodig.


Overname

Productierechten zijn veel geld waard. Bij de overname van een bedrijf van vader op zoon vormen ze vaak een struikelblok. De kosten van een overname stijgen erdoor, omdat kinderen die niet opvolgen voor hun erfdeel voor die rechten ook uitbetaald willen worden. Ook voor schaalvergroting, noodzakelijk om internationaal concurrerend te blijven, is de overname van rechten lastig. Boeren krijgen daardoor bij uitbreiding te maken met extra overnamekosten. Bij de overname van fosfaatrechten moet bovendien een kwart ingeleverd worden aan de overheid. Die maatregel is in 1998 ingesteld. Door die intrekking krimpt de veestapel geleidelijk in, net als het mestoverschot.


Dure grond

Ook hoge grondprijzen spelen een grote rol bij een overname. Grond is schaars en dus duur. Op boerenland worden claims gelegd voor zowel woningbouw, wegenaanleg en industrie, als voor natuur en recreatie. Maar ook de behoefte van intensieve veehouderijbedrijven aan grond om de mest milieuverantwoord kwijt te kunnen, drijft de grondprijs op. Veel intensieve veehouders kopen om die reden overal waar ze kunnen grond. Voor de prijs van één hectare grond nu kon een boer dertig jaar geleden tien hectare kopen. Een hectare landbouwgrond kost, afhankelijk van de streek en de soort grond (klei, zand, grasland, akkerland) al gauw dertigduizend tot zestigduizend euro.


De maatschap

De overdracht van een bedrijf van vader op zoon wordt meestal geregeld via een maatschap. De maatschap is een gebruikelijke en fiscaal aantrekkelijke methode om de bedrijfsopvolging te regelen. De methode wordt sinds de jaren zestig van de vorige eeuw algemeen toegepast. In een maatschap brengt de een (de vader) het bedrijf in, terwijl de ander (de zoon) spaargeld en arbeid inbrengt. De zoon wordt vervolgens stapje voor stapje steeds meer eigenaar.

Dankzij de maatschapsconstructie kan een bedrijfsovername geleidelijk verlopen. Dat is wel zo prettig, want een boerderij overnemen is duur. Totdat de maatschap in zwang kwam, was het gebruikelijk dat de zoon die zijn vader opvolgde, thuis meewerkte voor kost, inwoning en zakgeld en in één keer het hele bedrijf overnam.


Man-vrouwmaatschap

Er zijn in de land- en tuinbouw ook man-vrouwmaatschappen, vader-dochtermaatschappen, moeder-zoonmaatschappen en BV's.

Zo'n tienduizend boeren en tuinders hebben van hun bedrijf een BV gemaakt. Sommige bedrijven hebben een man-vrouwmaatschap. Daarmee hebben de boer en boerin formeel vastgelegd dat de vrouw mede-onderneemster is. Gek is dat niet. Uit een onderzoek van het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) blijkt dat de boerin gemiddeld 23 uur per week meewerken op het bedrijf. Op sommige bedrijven heeft ze zelfs een volledige dagtaak. Dat is bijvoorbeeld het geval als bij de boerderij een camping of een huiswinkel is. De man-vrouwmaatschap is bovendien een methode om goede afspraken te maken over de juridische aansprakelijkheid en het recht van voortzetting van het bedrijf na het overlijden van een van beiden. Boer en boerin voorkomen zo dat het bedrijf niet meer kan worden voortgezet, omdat kinderen hun deel van de erfenis opeisen.


Papieren rijkdom

In de land- en tuinbouw is zeer veel kapitaal geïnvesteerd. Het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) heeft becijferd dat het geïnvesteerd vermogen in de agrarische sector meer dan 80 miljard euro is. Ter vergelijking in 1980 was dat slechts 25 miljard euro. Het geld is geïnvesteerd in grond, schuren, kassen, silo’s, machines en werktuigen. Alleen dat al heeft een waarde van 40 miljard euro.

Rijk worden boeren en tuinders niet van dat kapitaal. Dat lukt alleen als ze hun bedrijf verkopen en weinig schulden hebben.

Het inkomen van boer en tuinder schommelt van jaar tot jaar en van bedrijf tot bedrijf sterk, omdat boeren en tuinders voor hun inkomsten afhankelijk zijn van vraag en aanbod. Ze hebben bovendien te maken met 'natuurlijke' tegenslagen, zoals een misoogst bijvoorbeeld als gevolg van slechte weersomstandigheden. Of een uitbraak van een besmettelijke dierziekte. Zo was het gemiddelde gezinsinkomen voor een vleesvarkensbedrijf in 1998/99 zo’n 45.000 euro negatief. Gemiddeld kwam een varkenshouderijbedrijf per week toen 1400 euro tekort. De oorzaak was de uitbraak van de varkenspest. De export van varkensvlees lag toen stil. Varkenshouderijbedrijven in de directe omgeving van een besmet bedrijf moesten worden geruimd. Bij andere bedrijven mochten de dieren niet worden vervoerd. Dat kostte de varkenshouders handen vol geld, want al die dieren moesten wel te eten hebben. Ook de kosten van levensonderhoud voor het gezin bleven gewoon doorgaan. Hoewel er geen inkomsten meer waren. Vele varkenshouders hebben zich flink in de schulden moeten steken. Honderden zijn met hun bedrijf gestopt. Het jaar voor de uitbraak was het gezinsinkomen in de varkenshouderij gemiddeld 92.000 euro geweest.


Eigen geld als deugd

Nog tot in de jaren zestig van de vorige eeuw financierden vele boeren hun bedrijfsuitbreiding en hun machines en tractoren veelal uitsluitend met eigen geld. Ook werd wel geleend van familieleden. Door de toenemende schaalvergroting en specialisatie in die jaren is daar definitief een einde aan gekomen. De land- en tuinbouw is er te 'kapitaalintensief' door geworden. De kosten van uitbreiding gingen de draagwijdte van het familiekapitaal ver te boven met als gevolg dat het aandeel vreemd vermogen ('de bank') in het boerenbedrijf fors toenam. Het kan verkeren. De agrarische sector heeft nu voor veertig miljard euro aan leningen bij de bank. Bijna veertig procent van het totale vermogen in de agrarische sector is 'vreemd' geld.

Het aandeel geleend geld in een agrarisch bedrijf verschilt per bedrijf. Het minst is dat bij akkerbouwbedrijven. Gemiddeld is tachtig procent van een akkerbouwbedrijf eigen vermogen. Overigens verschilt dat percentage van akkerbouwbedrijf tot akkerbouwbedrijf. Bij telers onder glas is het percentage eigen geld het laagst: 55 procent. Overigens is het rendement (dat is de opbrengst van het geïnvesteerde geld) beperkt. Vaak is dat zelfs negatief. Het geld beleggen of op de bank zetten levert dan meer op. Toch wordt dat niet veel gedaan. Boeren en tuinders willen hun bedrijf vaak alleen maar verkopen als er geen opvolger is. Of als ze ergens anders een beter bedrijf terug kunnen kopen.


De boerenleenbank

Geld lenen aan boerenbedrijven werd door banken en kredietverschaffers vele eeuwen gezien als een te groot risico. De boeren en tuinders hebben daarom eind negentiende eeuw uiteindelijk hun eigen kredietverschaffing georganiseerd. Dat gebeurde voor het eerst in 1864, toen Wilhelm Raiffeissen in een arme streek in Duitsland een agrarische coöperatieve bank wist op te zetten. Raiffeissen is er de aartsvader van de coöperatie mee geworden.

De ideeën van Raffeissen vonden door het succes ervan spoedig ook navolging in andere landen. De eerste coöperaties zijn in ons land in de jaren '80 van de negentiende eeuw opgericht. De eerste coöperatieve bank in Nederland – de voorloper van de Rabobank – is opgericht in Lonneker, in 1898. Zoals de coöperatieve banken zijn opgericht voor de kredietverschaffing, zo zijn er ook coöperatieve agrarische verzekeringsmaatschappijen opgericht om allerlei(bedrijfs)risico's af te dekken, tegen het risico van hagelschade (Hagelunie) bijvoorbeeld. Of van ziekte en brand.


Samen maakt sterk

Een van de eerste coöperaties in Nederland heette 'Uit welbegrepen eigenbelang'. Zo zouden ze allemaal hebben kunnen heten, want vroeger ging het om een vuist maken tegen uitbuiting door handelaren en industriëlen. Vroeger had elk dorp wel een of meer land- en tuinbouwcoöperaties. De coöperaties werden voor verschillende doeleinden opgericht. Zo zijn er aankoopcoöperaties, onder andere voor de gezamenlijke inkoop van kunstmest en veevoer. En werktuigencoöperaties van boeren die gezamenlijk machines aanschaffen en een machinepark beheren. Zo zijn er ook coöperatieve fokkerijorganisaties. En afzetcoöperaties, zoals de veilingen (voor bijvoorbeeld groenten, snijbloemen, potplanten, bloembollen, fruit). En verwerkende coöperaties, zoals zuivel-, zetmeel-, suiker- en aardappelfabrieken en slachterijen. Zo is bijvoorbeeld ook Vion, de op een na grootste slachterij van Europa, een coöperatie. Ook een zuivelgigant als FrieslandCampina is dat.

De coöperaties werken samen in de Nationale Coöperatieve Raad. De agrarische coöperaties zijn eigendom van de boeren en tuinders. In een coöperatie hebben alle leden evenveel recht van spreken. Ze dragen ook samen het risico van de onderneming. De lusten en de lasten zijn gelijk verdeeld.


Grote marktpartij

De agrarische coöperaties hebben een fors marktaandeel. De agrarische kredietverstrekking is voor negentig procent in handen van de Rabobank. De verwerking en afzet van zuivelproducten gebeurt voor 86 procent door coöperaties. 95 procent van alle bloemen wordt verkocht via de coöperatieve veilingorganisaties. Bij groenten en fruit is dat 75 procent. De handel in veevoer is voor 52 procent coöperatief georganiseerd, die in pootaardappelen voor 70 procent. Alle suikerbieten in Nederland worden coöperatief verwerkt.

De oudste coöperaties zijn meer dan honderd jaar oud. De eerste coöperatieve zuivelfabriek, die van Warga, is in 1886 opgericht. De eerste coöperatieve veiling is van 1887. De eerste suikercoöperatie is in 1899 opgericht. Ook de eerste coöperatieve aan- en verkoopcoöperatie (Cebeco) is van 1899.


Telen in verenigingsverband

Maar ook andere samenwerkingsvormen dan de coöperatie zijn populair bij boer en tuinder. Sinds begin jaren '90 van de vorige eeuw hebben telers van groenten, snijbloemen en potplanten verschillende telersverenigingen opgericht. De leden van zo'n vereniging hebben onderling afspraken gemaakt over het ras dat ze telen en over de teeltwijze. Dat laatste is onder andere van belang voor de smaak. De telers zorgen gezamenlijk voor de afzet. Dankzij deze samenwerking en de grote hoeveelheden die ze kunnen leveren, zijn ze ook voor supermarktketens interessant als leveranciers. De telersverenigingen verkopen hun producten onder een merknaam. Dat heeft als voordeel dat ze goed herkenbaar zijn. In de tuinbouw zijn inmiddels meer dan honderd van dergelijke telersverenigingen.



2. SAMEN VOOR KWALITEIT

Om redenen van kwaliteit, voedselveiligheid en het behoud van hun marktpositie werken boeren en tuinders steeds intensiever samen met andere schakels van de productieketen, zoals de industrie, de handel en het grootwinkelbedrijf. De bedrijven die bij een product betrokken zijn, hebben afspraken gemaakt over de wijze waarop ze de houdbaarheid, de versheid, de kwaliteit en de veiligheid van het eindproduct het best kunnen garanderen. Zo zijn er in de vee- en vleessector afspraken gemaakt over bijvoorbeeld het voer dat dieren mogen hebben en over de huisvesting, maar ook over de bewaartemperatuur van vleesproducten tijdens het transport en de opslag. In elke schakel van de keten wordt nauwkeurig bijgehouden wat er met elk dier en elk stukje vlees gebeurt. De veehouders houden voor IKB onder meer een logboek bij. Daarin staat bijvoorbeeld welk voer de dieren hebben gekregen en welk medicijn ze hebben gehad. De afspraken in de vee- en vleessector worden aangeduid met de afkorting IKB: Integrale Keten Beheersing. Er wordt ook wel gesproken van 'integrale kwaliteitsbewaking'. Vlees dat voldoet aan de IKB-eisen is voorzien van het Vleeskeurmerk IKB. Het is ook in de winkel als zodanig herkenbaar. IKB is er ook voor eieren.


Kalveren en melk

De kalverhouderijsector heeft een eigen kwaliteitscontrolesysteem: de Stichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector (SKV). De Stichting controleert op het gebruik van verboden middelen, zoals groeihormonen.

Melkveehouders hebben met de zuivelindustrie afspraken gemaakt over de kwaliteitsbewaking van de melk. Ze voldoen onder andere aan extra eisen die zijn gesteld aan de kwaliteit van het diervoeder voor hun dieren. Ze nemen bijvoorbeeld ook in hun melkstal extra hygiënemaatregelen in acht om de kwaliteit van de melk nog beter te kunnen waarborgen. 'KKM' is ook een borging dat de melk afkomstig is van gezonde koeien.


Paspoort voor het leven

Alle runderen in Nederland krijgen bij hun geboorte een uniek nummer. De gegevens van het dier zijn opgeslagen in een centrale computer. Door de nummering kan in elke schakel van de voedingsketen worden gecontroleerd wat er met het dier of zijn vlees is gebeurd. Voor varkens, schapen en kippen is er een afzonderlijk registratiesysteem opgezet.

Mocht bijvoorbeeld bij de slacht blijken dat een dier een besmettelijke ziekte onder de leden heeft, dan is snel te achterhalen van welk bedrijf het dier afkomstig is. De boer kan dan tijdig maatregelen nemen om verspreiding van de ziekte te voorkomen. Zo is snel te achterhalen wat de bron van de besmetting is geweest.


Akkerbouw

In de akkerbouw en in de tuinbouw zijn soortgelijke afspraken over de borging van de kwaliteit gemaakt als in de veehouderij. De akkerbouwer heeft van alle producten van zijn bedrijf geregistreerd hoe hij ze geteeld heeft, welke soorten kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen daarvoor gebruikt zijn en hoeveel. Sommige akkerbouwers telen daarnaast hun producten onder Milieukeur. Andere telen eko- of biologisch-dynamisch. Ook deze producten zijn gecertificeerd.


Eko, bd, Milieukeur

Producten uit de Eko- en bd-landbouw (de biologische landbouw) zijn geteeld zonder chemische gewasbeschermingsmiddelen en zonder kunstmest. BD-boeren houden bovendien rekening met kosmische invloeden. Op de naleving van de regels voor Eko en bd wordt toezicht gehouden door de Stichting Keur Alternatief voortgebrachte Landbouwproducten (SKAL), de controleorganisatie voor biologische productiemethoden.

Bij Milieukeurproducten is het gebruik van chemische middelen aan strenge voorwaarden gebonden. Alle producten zijn herkenbaar aan een keurmerk. Milieukeurproducten worden geproduceerd onder verantwoordelijkheid van de Stichting Milieukeur. Ook in de tuinbouw en de veehouderij zijn Eko-, bd- en Milieukeurproducten.



MPS

Telers van snijbloemen, potplanten en bloembollen werken volgens de specificaties van MPS (Milieu Programma Sierteelt). MPS heeft niet alleen regels voor het gebruik van kunstmest, energie en gewasbeschermingsmiddelen, maar heeft ook een sociale paragraaf voor producten die in het buitenland (in Afrika bijvoorbeeld) zijn geteeld. In die paragraaf zijn regels opgenomen die de volksgezondheid van de werknemers ten goede komen en die hen moeten beschermen tegen uitbuiting.


Samenwerken

De promotie van ‘producten met een extra kwaliteit’ gebeurt soms door agrarische organisaties, natuur-, milieu- en consumentenorganisaties gezamenlijk. Zo hebben organisaties in de veehouderijsector in 1999 met onder andere de Dierenbescherming en het Platform Biologica (het samenwerkingsverband van de biologische landbouw) afspraken gemaakt over de promotie van biologisch scharrelvarkensvlees. De Dierenbescherming heeft in samenwerking met diverse organisaties ook een Beter Leven-Keurmerk opgezet. Het keurmerk geeft inzicht in het dierenwelzijn van legkippen, vleesvarkens, vleeskalveren en stieren.

Ook bijvoorbeeld bij de promotie van de ekobol, de biologisch geteelde bloembollen, spelen natuur- en milieuorganisaties een belangrijke rol.


Streekproducten

Steeds meer boeren en tuinders hebben de afgelopen jaren de zegeningen van de streek (her)ontdekt. Ze zijn overgegaan op de productie en verkoop van agrarische producten onder streekaanduiding. Soms doen ze dat gezamenlijk met collega's. Zo telen Zeeuwse akkerbouwers graan dat wordt verwerkt in brood en bier, dat onder de merknaam Zeeuwse Vlegel wordt verkocht. In Limburg is iets soortgelijks gedaan. Daar wordt Limburgs graan verwerkt tot Dageraadbier en -brood. In deze provincie zijn streekproducten ondergebracht in het merk LimburgLandGoed.

Het streekproduct heeft een imago van lekker en ambachtelijk. De streek is een merk. Een van de meest voorkomende streekproducten is kaas. Zo'n streekproduct is veenweidekaas. Bij de productie van de melk voor deze kaas is extra rekening gehouden met de bescherming van de natuur. In het veenweidegebied leven vele soorten weidevogels. Ook groeien er bijzondere planten. Een ander initiatief om de natuur te beschermen is bijvoorbeeld Red de rijke Weide.

Ook bijvoorbeeld varkensvlees wordt verkocht als streekproduct. De dieren voor dit vlees worden gehouden volgens specifieke (welzijns)eisen of zijn van een bijzonder varkensras, zoals de Bonte Bentheimer.



3. KENNIS IS DE KRACHT

Het succes van de land- en tuinbouw stoelt voor een belangrijk deel op kennis en kunde. Deze worden ook in het buitenland gewaardeerd. De Nederlandse kennis, kunde, techniek en het uitgangsmateriaal (pootgoed, zaaizaad, plantmateriaal en fokvee) zijn over de hele wereld gewild. In de Verenigde Staten net zo erg, als in Chili, Kenia, Rusland, Saoedi-Arabië en China. Van overal vandaan ook, komt men naar ons land toe om te leren van de manier waarop de Nederlandse boeren en tuinders werken. Heel belangrijk in dit verband is ook de Wageningen Universiteit, waar studenten van over de hele wereld naartoe komen om te studeren en om agrarisch onderzoek te doen. De WUR geldt op het gebied van onderzoek naar voeding en de land- en tuinbouw als de beste universiteit ter wereld.


Van alle markten thuis

Een boer moet kennis hebben van een heleboel verschillende zaken. Voor elke sector en voor elke teelt is zeer specialistische kennis nodig. Iemand die heel goed anjers kan telen, is niet automatisch een even goede teler van rozen. Hij zal zich eerst grondig moeten verdiepen in die teelt en er ervaring in moeten opdoen. Een boer heeft niet alleen kennis nodig van alles wat met groei en bloei op zijn bedrijf te maken heeft, maar moet ook van alles weten van bijvoorbeeld de machines en installaties op zijn bedrijf, van milieuregels, van personeelszaken, van boekhouden en van belastingen. De meeste boeren en tuinders hebben dan ook een hogere agrarische opleiding gevolgd. Ze hebben middelbaar of hoger agrarisch beroepsonderwijs of de landbouwuniversiteit in Wageningen gedaan. Bijna alle boeren en tuinders hebben bovendien stage gelopen bij andere bedrijven in binnen- en/of buitenland.


Voortdurend bijblijven

De land- en tuinbouw is een sector die voortdurend in verandering is. Op het gebied van de automatisering en de gewasbescherming, maar ook bijvoorbeeld op het gebied van de huisvesting van dieren verandert er veel. Boer en tuinder moeten voortdurend alert zijn, hun bedrijfsvoering aanpassen en hun bedrijf vergroten om te kunnen blijven concurreren. Doen zij dat niet, dan lopen zij de kans dat zij uiteindelijk hun bedrijf moeten sluiten.



Omhoog