INFORMATIE

LEERKRACHTEN

PLAATJES

ZOEK

CONTACT

BESTELLEN

Nieuw in Het Kleine Loo

Bloembollenteelt in Nederland


Tegenwoordig worden in alle provincies van Nederland bloembollen geteeld. Dat gebeurt niet alleen op gespecialiseerde bedrijven maar ook op akkerbouwbedrijven en bij vollegrondsgroentetelers. In totaal houden drieduizend bedrijven zich met de teelt bezig. Samen hebben ze daarvoor twintigduizend hectare grond in gebruik. Tachtig procent van deze bedrijven is gespecialiseerd in bloembollen.


Ruim vierhonderd jaar geleden in 1592 kwam de botanicus Carolus Clusius naar Nederland. Daar was hij benoemd tot directeur van de Hortus Botanicus (de plantentuin) van de Leidse universiteit. Eerder had Clusius de tuinen van de Oostenrijkse keizer in Wenen beheerd. Daar bloeide een bloem die uit Midden-Azië via Turkije in Wenen was gekomen: de tulp. Clusius bracht tulpenbollen mee naar Leiden. Ook de hyacint haalde hij naar Nederland. Die kwam uit het zuiden van Europa. Tulp en hyacint deden het goed in de Leidse tuin en Clusius verkocht bollen of ruilde ze met andere geleerden. Langzaamaan ging de tulp op weg door Europa. De bollen waren schaars en dus duur. In de zeventiende eeuw werd de bol als geneesmiddel beschouwd. Voor een bol moest je naar de apotheek. Daar werden bollen in voorraad gehouden. Zo begon de handel in tulpenbollen.

De eerste bloembollentelers waren vooral in de buurt van Haarlem gevestigd. De zandgrond daar en het klimaat waren er heel geschikt voor de teelt. De prijzen van de bollen waren dan wel gedaald maar nog steeds te hoog voor gewone mensen. Het duurde nog tot het begin van de negentiende eeuw eer dat veranderde.


Bloembollenstreek
De teelt breidde zich uit naar het gebied ten zuiden van Haarlem. Zo ontstond de Bloembollenstreek. In de negentiende eeuw kwam de groothandel in bloembollen op. Die leverde ook aan het buitenland. Er werden op verschillende plaatsen in de Bloembollenstreek regelmatig beurzen georganiseerd waar kwekers en handelaars verkochten en kochten. In onze eeuw begon het teeltgebied zich verder uit te breiden. Eerst kwamen West-Friesland en de Kop van Noord-Holland erbij. Dat was in de jaren twintig. Na 1945 ging de uitbreiding snel verder. In alle provincies worden nu bloembollen geteeld. Een aantal Nederlandse bedrijven doet dat zelfs in het buitenland. Ze telen bollen in landen met een zachter klimaat dan het Nederlandse of met een ander zomer-winterritme. Daar kunnen de bloembollen eerder worden geplant en geoogst.


Grootste exporteur
De bollen worden via bemiddelingsbureaus van teler naar handelaar verkocht. En natuurlijk zijn er telers die rechtstreeks aan de handel leveren of zelfs in kraampjes langs de weg hun bollen aanbieden. De handelaren verkopen de bollen in binnen- en buitenland. Sommige telers exporteren zelf. De meeste bollen worden geëxporteerd naar de Verenigde Staten Duitsland Japan het Verenigd Koninkrijk Frankrijk en Italië. Die export is elk jaar ongeveer anderhalf miljard gulden waard. Daarmee is Nederland de grootste exporteur ter wereld. Een deel van de bloembollenoogst komt tenslotte (vaak via een tuincentrum) terecht in de tuin in een bloembak of in een plantsoen. De telers en handelaren noemen dat de 'droogverkoop'. Een ander deel van de oogst gaat naar bloementelers. Die gebruiken de bollen voor de teelt van snijbloemen. Dat zijn de bloemen die per bos in de winkel of bij de bloemenstal worden verkocht. Deze vorm van teelt wordt 'broeierij' genoemd. De telers kunnen in hun kassen op elk gewenst tijdstip bollen in bloei trekken. Daardoor zijn deze voorjaarsbloemen in elk jaargetijde te koop. Sommige worden als potplant verkocht.


Werk in de bollenschuur
Het belangrijkste op een bloembollenbedrijf is natuurlijk de grond. Maar het belangrijkste gebouw is de schuur. Daar is het hele jaar door wel iets te doen. Vroeger waren de bollenschuren gebouwen met een paar verdiepingen. Daar stonden de stellingen waarop de bollen lagen te drogen. De stellingen werden gescheiden door smalle paden die uitkwamen bij een deur in de gevel. Een modern bedrijf heeft geen etages. Alles gebeurt op de begane grond. Daar staan de machines waarmee de bollen op maat worden gesorteerd nadat ze zijn gepeld. Dat pellen wordt ook in de schuur gedaan. Een deel van de geoogste bollen wordt apart gehouden. Ze worden het volgende seizoen geplant. Ze worden in op elkaar gestapelde kisten bewaard in koelcellen die in de schuur zijn gebouwd. Met een computer worden temperatuur luchtvochtigheid en ventilatie in de cellen geregeld. Ook worden in de schuur partijen bollen verpakt. Verder is er ruimte om machines en werktuigen op te bergen tot de teler ze nodig heeft. Doorgaans is één van de machines een vorkheftruck om de zware kisten te verplaatsen. Bij de schuur worden de bollen ontsmet voor ze worden geplant.


Kou nodig
Sneeuwklokjes krokussen tulpen en narcissen worden in het najaar geplant. Pas na de winter gaan ze bloeien. Ze hebben zo'n koudeperiode nodig. Maar het moet ook weer niet al te koud worden. Daarom worden de bollenvelden als de bollen zijn geplant bedekt met stro. Andere bloembollen worden in het voorjaar geplant en bloeien in de zomer. Gladiolen dahlia's irissen en lelies bijvoorbeeld.

Tulpen nemen in de teelt met 50 procent de belangrijkste plaats in gevolgd door lelies (achttien procent) gladiolen (acht procent) narcissen (acht procent) hyacinten (zes procent) irissen (drie procent) en krokussen (drie procent). In Nederland worden ongeveer zestig verschillende bolgewassen geteeld. Van elke soort zijn er een heleboel cultivars. Een cultivar is een gekweekte variëteit van een soort. Alleen al van de tulp zijn er duizenden cultivars. Van de narcis ruim driehonderd. Elk jaar komen er cultivars bij want er wordt voortdurend gewerkt aan nieuwe variëteiten. Dat is vooral het werk van veredelingsbedrijven.


Bloem moet eraf
Als de bollen zijn geplant groeien er in de grond nieuwe bollen. Van de oude bol blijft weinig meer over dan een stuk stengel. De nieuwe bollen worden verkocht behalve als ze nog te klein zijn. De kleintjes krijgen later de kans om verder te groeien. De bol die is geplant moet zoveel mogelijk van het voedsel dat hij maakt kunnen gebruiken voor de nieuwe bollen. Dat kan niet zonder dat hij ook een bloem produceert. Maar zodra die bloem er is wordt de kop ervan verwijderd. Dan hoeft er geen voedsel meer naar de bloem. Er is nog een reden om de bloem van de tulpen weg te halen. Als de bloem is uitgebloeid vallen de bloembladeren af. Sommige vallen tussen de stengel en de groene bladeren. Het wordt daar vol en als het door de regen ook vochtig wordt is het een plekje waar schimmels zich lekker voelen. Die schimmels kunnen de plant ziek maken en de bollen slecht laten groeien.


Op het land
De bollen die in het voorjaar bloeien worden in oktober en november geplant. Dat gebeurt met een machine. Vervolgens wordt met weer een andere machine een laag stro over het land gelegd. In de winter en in het voorjaar strooit de teler (kunst)mest om het land vruchtbaar te houden. Er zijn strenge regels voor de bemesting om aantasting van het milieu te voorkomen. De telers streven dan ook naar duurzame teeltmethoden. Steeds meer gebruiken ze in plaats van dierlijke mest en kunstmest plantaardig afval en heidecompost. De strolaag wordt in het voorjaar weggehaald. In maart en april worden de bollen geplant die in de zomer bloeien. De voorjaarsbloeiers worden gekopt. Vroeger gebeurde dat met de hand of de zeis. Nu zijn er machines voor. Veel tijd besteedt de teler aan het inspecteren van de planten op het land. Zieke planten worden weggehaald. Maar dat is niet voldoende om de oogst te beschermen. Er moeten ook chemische middelen worden gebruikt om te voorkomen dat schimmels bacteriën en virussen de planten aantasten. Er worden veel maatregelen genomen om te voorkomen dat deze middelen in het milieu komen zoals een teeltvrije zone en zeer nauwkeurige apparatuur. De mensen die spuiten hebben daarom een opleiding gevolgd. Verder worden er zo weinig mogelijk van deze stoffen gebruikt. Er zijn spuitmachines ontwikkeld die heel nauwkeurig werken met behulp van een computer. Ook worden steeds vaker niet-chemische middelen en methoden gebruikt. Bepaalde ziekten en plagen krijgen minder kans zich te ontwikkelen als niet ieder jaar hetzelfde gewas op hetzelfde stuk grond wordt geteeld. Daarom huurt een bloembollenteler vaak voor korte tijd land van een collega of van een akkerbouwer om bloembollen te telen. De teelt op andermans land wordt wel de 'reizende bollenkraam' genoemd. Ook worden cultivars gebruikt die minder gevoelig zijn voor ziekten. Voor het bestrijden van bepaalde soorten aaltjes in de grond worden afrikaantjes gezaaid. Aaltjes die een afrikaantje binnendringen worden door die plant gedood. Sommige telers zetten hun land na de oogst onder water. Dat wordt inundatie genoemd. Onkruid en planten waarop schadelijke organismen zitten krijgen dan geen kans zich te ontwikkelen. Daardoor zijn er minder chemische middelen nodig bij de bestrijding. Deze methode wordt ook wel door akkerbouwers toegepast. Maar niet overal is de bodem er geschikt voor. De topdrukte op het bloembollenbedrijf valt in de zomer. Er moet dan met man en macht worden gerooid. Dat begint meestal in de tweede week van juni. Er wordt een rooimachine voor gebruikt. Die woelt een strook aarde los vangt de bollen op en deponeert ze in een grote kist. De volle kist wordt naar de schuur gebracht een lege komt er voor in de plaats. Vooral op kleigrond worden de bollen in netten geplant. Dat maakt het rooien veel makkelijker. Met een machine worden die netten bij het rooien uit de grond getrokken.


Pellen en pluizen
Meteen na de oogst worden de bloembollen op het bedrijf ontdaan van zand en grond. Dan worden de stengelresten en kleine bolletjes eraf gehaald. Bij tulpen heet dat 'pellen' bij lelies 'pluizen'. Dat werk wordt meestal gedaan door scholieren en huisvrouwen die een extraatje willen verdienen. Er wordt tegenwoordig ook veel gebruik gemaakt van pelmachines maar mensen werken nauwkeuriger. Het loof van de bloembollen wordt gecomposteerd. De gepelde bollen worden op maat gesorteerd. Dat doet een machine. Bollen die te klein zijn om te worden verkocht worden in het najaar geplant. In het bloembollenvak zijn ze erg streng in op tijd leveren. Bij overschrijding van de afleveringstermijn heeft de koper het recht de bollen terug te sturen en de koopovereenkomst te ontbinden. Na de zomerdrukte wordt het wat rustiger op het bedrijf. In het najaar wordt de grond geploegd en vervolgens worden er weer bollen geplant.


Biologische bollen
Een aantal telers werkt biologisch dus zonder gebruik van chemische middelen of kunstmest. Hun bloembollen worden biologische bollen genoemd. Deze telers werken samen in onder andere de coöperatieve afzetvereniging Biobol. Eén van de grootste problemen in de biologische teelt is de bestrijding van vuur (botrytis). Dat is een besmettelijke schimmelziekte waardoor de planten afsterven. Vuur is moeilijk te bestrijden zonder chemische hulpmiddelen. Het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in Lisse onderzoekt met welke maatregelen het risico van besmetting kan worden beperkt. Ook wordt het gebruik van minder gevoelige bolsoorten onderzocht.


Doelgroepoverleg
Voor de uitvoering van het milieubeleid heeft de bloembollensector een overeenkomst ('convenant') gesloten met de landelijke overheid provincies gemeenten en waterschappen. Vertegenwoordigers van allen die bij dit convenant zijn betrokken zitten in het Doelgroepoverleg Bloembollensector. Daar worden mogelijkheden besproken om de milieuproblemen op te lossen. Reeds genomen milieumaatregelen houden onder meer in dat de bloembollentelers het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en mineralen registreren. Het gebruik van stikstof fosfaat en grondontsmettingsmiddelen is flink afgenomen. Er is een systeem opgezet dat de telers waarschuwt voor het optreden van botrytis. Ze hoeven dus alleen te spuiten tegen deze schimmelkwaal als het nodig is. Veel telers nemen deel aan het Milieu Progamma Sierteelt (MPS). Bovendien streven ze ernaar het energiegebruik op hun bedrijven te verminderen. Energie is nodig voor de klimaatregeling voor de bewaring van de bloembollen en voor de broeierij.

Omhoog