INFORMATIE

LEERKRACHTEN

PLAATJES

ZOEK

CONTACT

BESTELLEN

Nieuw in Het Kleine Loo

Verschillende grondsoorten

Als een boer het over de bodem heeft denkt hij aan de bovenste laag van de aardkorst waarin planten hun wortels kunnen laten groeien. De bodem is niet overal hetzelfde. Ook in Nederland zijn er heel veel verschillen. Je hebt zandgrond kleigrond en veengrond. Maar er zijn ook allerlei mengsels en lagen van grondsoorten. Bodemkundigen graven voor hun onderzoekswerk dieper dan de laag waarin planten wortelschieten. Zo brengen ze aan het licht hoe de bodem gevormd is in tijden die onvoorstelbaar lang in het verleden liggen. De Nederlandse bodem is gevormd door het water van zee en rivieren door het ijs van de ijstijden en door de wind. Water ijs en wind droegen deeltjes grond aan.

Akkerbouw vind je vooral op kleigrond. De planten van de akkerbouwer granen en bieten bijvoorbeeld hebben veel mineralen nodig. Dat zijn voedingsstoffen voor de planten. Klei bevat veel van die mineralen. Maar de gewassen doen het pas goed als het grondwater niet te dicht onder de oppervlakte staat. Dan kunnen de planten hun wortels niet goed ontwikkelen en lopen ze zelfs kans te verdrinken. Daarom wordt akkerbouw vooral op hogere kleigronden uitgeoefend.

Gras stelt minder eisen aan de grond dan graan of bieten. Het heeft ook kortere wortels. Dus loopt het minder snel kans te verdrinken. Grasland komt dan ook veel voor in lagere en natte streken. De grond bestaat daar meestal uit veen. Tuinbouwgewassen hebben een natte en wat lichtere grond nodig. Bijvoorbeeld klei met zand.

Klei bestaat uit heel kleine korreltjes. Dat materiaal bestaat voornamelijk uit zogenaamde kleimineralen. Rivieren en de zee hebben de klei aangedragen. Vandaar dat er sprake is van rivierklei en zeeklei. Kleigrond wordt 'zwaar' genoemd als hij vooral bestaat uit heel kleine korrels. Als de klei ook een flink percentage grotere korrels bevat wordt hij 'lichte' klei genoemd. Het afzetten van zeeklei had een andere vorm van het landschap tot gevolg dan het afzetten van rivierklei. Op kleigronden hebben de mensen heel wat werk verzet om ze zo bruikbaar mogelijk te maken voor de land- en tuinbouw. Er is opgehoogd gebaggerd diepgeploegd en geÐgaliseerd. Ook zijn ze soms afgegraven voor het bakken van stenen. Het landschap van de Nederlandse rivier- en zeekleigronden is sterk beinvloed door het graven van sloten bedijking drooglegging en verkaveling (verdelen in stukken land).

Maar ook aan de veengronden is te zien dat er eeuwenlang mensen aan de slag zijn geweest. Veen bestaat uit resten van planten die in een moerassige omgeving zijn afgestorven. Ze zijn niet helemaal vergaan. Heel langzaam rotten ze weg onder de waterspiegel. Er komen steeds meer plantenresten bij. Ze stapelen zich op. Zo ontstaat een laag veen. Als je veen opbaggert en laat drogen heb je een goede brandstof: turf. Er is in Nederland zoveel veen afgegraven en opgebaggerd voor de turfwinning dat er grote plassen en meren ontstonden.

Als veengrond wordt ontwaterd begint hij te krimpen. De grond gaat scheuren en de lucht kan er dieper in doordringen. Zo wordt de grond langzaam geschikt voor landbouwgewassen. En tegelijkertijd wordt hij zo stevig dat er mensen en dieren op kunnen lopen zonder weg te zinken.

Omhoog